Drempeltje of afgrond?
Een van de bekendste experimenten met baby’s is dat met de zogeheten ‘schijnafgrond’ (visual cliff) om te kijken of zulke jonge kinderen al diepte kunnen zien. Een tafel met een glasplaat. Onder die plaat voor de helft een geblokt kleed de andere helft van het tafelblad is weggehaald. Op de grond onder het doorzichtige gedeelte een zelfde kleed.
Kinderen vanaf een half jaar die over de tafel kruipen houden halt waar zij het kleed in de diepte zien, ook al voelt het oppervlak voor hun kruipende knietjes en handjes hetzelfde aan.
Dit soort resultaten hebben geleid tot de opvatting dat kinderen een aangeboren angst voor diepte hebben, een van de beschermingsmechanismen die in de loop van de evolutie zijn ontstaan. Zij hoeven dat niet door ervaring te leren: zodra hun visuele ontwikkeling het mogelijk maakt diepten te zien, vemijden ze die.
Hoe vaak dit experiment ook met hetzelfde resultaat is herhaald, zodat het tot de klassieken is komen te horen, er zijn altijd psychologen geweest die hebben gewezen op de beperkingen van de opzet. Het kind krijgt volgens hen namelijk tegenstrijdige informatie. De diepte lijkt gevaarlijk, maar het glas voelt veilig. Misschien maakt die verwarring dat ze niet verder kruipen. In ieder geval werd hiermee niet aangetoond dat het vermijden iets aangeborens is.
In een recent experiment wilde men juist de rol van ervaring bij dit gedrag bestuderen. Er werd ook met geblokte kleedjes gewerkt, maar zonder glas. Een tafel was in tweeën gedeeld. De ene helft stond vast, de andere helft kon met een pedaal hoger en lager worden gezet. Zo konden lagere en hogere drempels worden gemaakt, maar ook een’ afgrond’ tot 90 cm. De kinderen waren allemaal twaalf maanden oud. De onderzoeker zette het kind op de vaste tafelhelft en hield het goed in de gaten, terwijl vader of moeder het kind naar de andere kant van de tafel lokte. Iedere poging duurde ongeveer een halve minuut en per kind werd een klein uur geëxperimenteerd.
Toen 16 ervaren kruipers en 17 beginnende lopers werden vergeleken kwamen interessante verschillen naar voren. In de eerste plaats de bij beide groepen grote individuele verschillen in de drempels die de kinderen – kruipend dan wel lopend – konden nemen. Eén kruipertje kwam niet verder dan 1 cm, één lopend jongetje stapte 19 cm omlaag zonder om te vallen.
Wel lagen de gemiddelden van de twee groepen ver uit elkaar. Voor ervaren kruipers lag dat bij 13 cm, voor de onervaren lopers bij 6 cm. Dat is deels te verklaren door de lichaamshouding: al lang met vier pootjes laag bij de grond rondscharrelen maakt je minder wiebelig dan rechtop op twee, als je dat nog maar net kunt. Maar de lange ervaring met kruipen die de kinderen hadden opgedaan maakte ook dat zij beter dan de onervaren lopers konden inschatten wat wel en niet kón.
Nog sterker kwam dat naar voren als er sprake was van een afgrond bij meer dan 22 cm. Geen van de kruipers ging daar af, maar de lopers stapten geregeld naar beneden (‘plunged right over the edge’) en moesten worden opgevangen. En dat terwijl beide groepen, gezien hun visuele ontwikkeling met twaalf maanden, al wel diepten konden zien. Het was de ervaring die het verschil uitmaakte.
Het experiment werd ook gedaan met ervaren lopers van achttien maanden. Ook zij stapten de afgrond niet in, maar – door ervaring wijs én behendig geworden – gebruikten ze allerlei andere manieren om naar beneden te komen.
(Bron: Kari S. Kretch & Karen E. Adolph: Cliff or Step? Posture-Specific Learning at the Edge of a Drop-Off, Child Development, 84, 1, 226-240, 2013)
(Deel I Hoofdstuk Zintuigen Zien)
Laatste reacties