Internet en ik
In de adolescentie ontwikkelt een jong mens als het goed is een identiteit. Het gevoel dat je als persoon een eenheid bent, die je hoe verschillend situaties en stemmingen kunnen zijn, toch beleeft als een samenhangend besef van ik-ben-ik. Met die identiteit zijn ook allerlei eigenschappen verbonden. In de adolescentie leer je jezelf kennen als iemand die zus en zo reageert, dit en dat vindt, daar wel en daar niet over nadenkt, enzovoort. Nu is een interessante discussie gaande in hoeverre internet deze opvatting over identiteit ondergraaft.
Voor jongeren is die virtuele wereld een vanzelfsprekendheid. In het Amerikaans is het oude begrip ‘teenagers’ al veranderd in ‘screenagers’. Zittend achter de computer spelen ze met onbekenden over de hele wereld een spel, zoals World of warcraft en Habbo. Of ze discussiëren in chatrooms over van alles en nog wat. Op speciale sites voor jongeren wisselen ze gedichten, zelfgemaakte liedjes, dagboeken en foto’s uit, zodat een sociale webgemeenschap ontstaat.
Maar ze doen dat nooit onder eigen naam. Bij een spel krijgen ze, als ze zich als deelnemer inschrijven een poppetje (een ‘avatar’) dat ze naar eigen idee kunnen aankleden en een naam geven. In chatrooms en op jongerensites kiezen ze voor zichzelf een pseudoniem. Voor ouderen lijkt dat lafheid, anoniem willen blijven, omdat je niet durft te laten zien wie je bent. Maar dat is het helemaal niet. Hun schuilnaam is niet om zichzelf te verbergen, maar om een bepaalde persoon te kunnen zijn, met kenmerkende eigenschappen en reacties. Het zijn speelse afsplitsingen van wie je in het dagelijks leven bent of zou willen zijn, een ander ‘zelf’. En wat daarbij zo belangrijk is: je kunt allerlei kenmerken van jezelf die bij een eerste indruk die je op anderen maakt zo dominant zijn, verbergen, zoals je sekse, dialect of aantrekkelijkheid.
En die digitale persoonlijkheid moet ook net als in de ‘echte’ werkelijkheid samenhang vertonen om overtuigend te kunnen zijn. Je valt door de mand als je dingen doet of schrijft die totaal niet bij elkaar passen. Je hebt vrienden, vijanden, collega’s, bondgenoten, tegenstanders, geliefden, die je in de gaten houden of je wel geloofwaardig bent. Net als toneelspelers kruip je tot in de kleinste details in de huid van een ander. Het zijn zelfgekozen identiteiten, waarmee je in die virtuele wereld kunt experimenteren. Een praatje maken, flirten, een baan zoeken, geld verdienen, een huis inrichten. Alles zoals in de echte wereld. Kortom: jongeren hebben op het wereldwijde web een samenleving naast hun dagelijkse bestaan. Een second life. Of soms ook een derde of vierde, want je kunt onder verschillende identiteiten meedoen.
In de psychologie heerst nog het Ik-tijdperk waarin ‘jezelf worden’ een centraal thema is. We weten bij lange na nog niet wat voor invloed deze virtuele samenlevingen met bijbehorende identiteiten hebben op het ‘jezelf worden’ van jongeren.
( Bron: Henk Blanken: Op internet kies ik zelf wie ik ben. De Volkskrant, 18 maart, 2006
Simon Rozendaal: Het is fijn on line te zijn. Elsevier, 18 maart, 2006)
(Deel III Hoofdstuk Een eigen persoonlijkheid) (staat al in nieuwste editie, 2009)





Reacties