Wat zegt een naam?
Als iemand je iets laat zien dat op een pen lijkt en zegt dat het een taperecorder is, tien tegen één dat je dan het ding gaat bekijken om te zien waar het microfoontje zit. Je hecht meer aan de benaming dan aan het uiterlijk. Bij jonge kinderen is dat anders. Dat komt doordat de benaming voor hen een andere betekenis heeft dan voor volwassenen. Voor volwassenen is de naam van een ding een manier om het begripsvol onder te brengen in een categorie van dingen met bepaalde eigenschappen: een taperecorder hoort thuis in de categorie elektronische apparatuur en dus ga je er vanuit dat wat er wel uit ziet als een pen toch elektronische eigenschappen heeft. Jonge kinderen denken bij de naam van een ding nog niet in categorieën. Het woord is voor hen meer iets dat nu eenmaal bij een ding hoort, zoals bij een pen ook hoort dat hij lang en dun is en dat je ermee kunt schrijven. Als iets eruit ziet als een pen, hoort daar het woord ‘pen’ bij.
Aan een onderzoek deden vier- en vijfjarigen mee, en studenten. Ze kregen afbeeldingen te zien van twee fantasiefiguren, die ‘flurp’ en ‘jalet’ werden genoemd. Onbekende woorden dus. Beide hadden hetzelfde lijf, hoofd, dezelfde handen, voeten en een antenne. Maar bij elk waren die anders van kleur. Het opvallendste verschil zat echter in de hoofden: flurps grote hoofd was rose en bewoog op en neer, jalets grote hoofd was blauw en ging heen en weer. Om te kijken of de proefpersonen de verschillende eigenschappen goed in zich op hadden genomen werden een paar proefjes gedaan. Van een figuurtje werd bijvoorbeeld iets weggelaten en dan moesten ze zeggen wat.
Daarna kwam de echte test. Ze kregen een figuurtje te zien met lijf, armen, voeten en antenne van een flurp, maar het hoofd van een jalet. Eronder stond ‘flurp’. Gevraagd werd welk figuurtje dit was. Negentig procent van de kinderen negeerde het woord en alle flurp-onderdelen, ging louter af op het hoofd en zei ‘ da’s jalet’. Ze kozen dus de naam die hoorde bij het meest in het oog vallende uiterlijke kenmerk. Omgekeerd werd hetzelfde gedaan met jalet, met een vergelijkbaar resultaat.
Volwassenen gaven blijk van twijfel: waar moest je nu op af gaan? Ze konden moeilijk kiezen en hadden iets van ‘tja, ’t heeft van allebei iets’. 37 procent koos uiteindelijk voor de benaming, 31 procent ging af op het hoofd en de rest zei lukraak het een of het ander.
Toen het proefje werd herhaald met twee bestaande woorden werd het verschil nog duidelijker: voor 93 procent van de kinderen gaf het hoofd de doorslag en voor 66 procent van de volwassenen de benaming toen hen werd gevraagd om welk figuurtje het ging.
(Bron: Vladimir M. Sloutsky & Wei Deng: Carrot-Eaters and Moving Heads: Salient Features Provide Greater Support for Inductive Inference than Category Labels. Psychological Science, 23, 1, 2012)
(Deel I Hoofdstuk Taal Eigen maaksels)





Laatste reacties