Levend of niet
In vroegere theorieën werd verondersteld dat kinderen tot een jaar of zes alles wat beweegt levend vinden en rond acht jaar alles wat uit zichzelf beweegt. Dat zou komen doordat ze op die leeftijd nog geen biologisch inzicht hebben, hun verklaringen zijn min of meer psychologisch. Daarom kunnen ze bijvoorbeeld een stuk speelgoed dat hen pijn doet ‘stout’ vinden. En door de komst van de computer is het verschil tussen levend en niet-levend voor hen nog schimmiger geworden.
Toch zijn er steeds meer psychologen die denken dat ook kleuters al wel enig besef hebben van wat je ‘biologie’ zou kunnen noemen. Niet dat ze biologisch inzicht hebben, maar al wel iets aanvoelen. Onderzoekers spreken van een naïve biologie. Steun hiervoor vindt men in het gegeven dat kinderen die op een boerderij opgroeien al jonger het verschil tussen levend of niet beter kunnen aangeven dan stadskinderen. Ook is geconstateerd dat kleuters weliswaar bewegende dingen vaak levend vinden, maar in gesprekjes bij dieren wél ‘ja’ zeggen als wordt gevraagd of die kunnen groeien en doodgaan, maar bij bewegende dingen ‘nee’.
In een recent onderzoek kregen drie- tot vijfjarigen 32 plaatjes op een scherm te zien: dieren, planten, bewegende voorwerpen en voorwerpen die niet kunnen bewegen. Acht van elk in wisselende combinaties. In de eerste fase werd bij elke afbeelding vragen gesteld als ‘Moet deze eten?’ ‘Kan deze groter groeien?’ ‘Kan die uit zichzelf bewegen?’ In de tweede fase werd bij elke afbeelding gevraagd: ‘Is deze levend of niet levend?’
Bij vergelijking van de resultaten uit deze twee fasen bleek dat voor de kleuters nog veel onhelder was maar drie verbanden waren wel heel duidelijk. *Hoe vaker zij bij een dierafbeelding zeiden dat die levend was, hoe minder vaak ze dachten dat bewegende en niet-bewegende dingen water nodig hadden om te groeien. *Hoe minder vaak ze zeiden dat bewegende en niet bewegende dingen levend waren, hoe vaker ze bij een dier en plant zeiden dat die konden groeien. *En hoe minder vaak ze bij een bewegend ding zeiden dat die levend was, des te vaker ze bij een plant of dier zeiden dat die water nodig had. Dit wijst er volgens hen op dat er weldegelijk naast de ‘psychologische’ redeneringen bij kleuters al ‘biologische’ overwegingen meespelen.
(Bron:Tessa E. Margett & David C. Witherington: The Nature of Preschoolers’ Concept of Living and Artificial Objects. Child Development, 82, 6, 2067-2082, 2011)
(Deel II Hoofdstuk Computerkinderen Invloed op de emotionele ontwikkeling)





Laatste reacties