Wat je wel en niet kunt zeggen
Het overkomt iedereen wel eens, ook kinderen: je zegt ongewild iets stoms. Maar waar grote en kleine mensen in verschillen is de mate waarin ze gevoel hebben voor wat er mis ging.
Aan een onderzoek deden 210 kinderen mee. Een groep van ongeveer zes jaar en één van negen jaar. Zij werden bij aanvang onder meer getest op de mate van inzicht in wat blunders zijn. Ze kregen zes tekenfilmpjes te zien met steeds twee kinderen. In sommige blunderde een kind (zei bijvoorbeeld tegen een ander kind dat hij een tekening stom vond zonder te beseffen dat die door dat kind was gemaakt). Maar er kwamen ook gewone opmerkingen in voor en expres vervelende opmerkingen. Aan de hand van vragen na ieder filmpje werd vastgesteld hoeveel inzicht een kind had in de verschillen tussen die opmerkingen en wat voor gevoelens ze teweeg brachten bij het kind aan wie ze waren gericht.
Aan de hand van klassefoto’s van hun eigen klas moesten kinderen vervolgens drie kinderen aanwijzen met wie ze graag eens een middag zouden willen spelen en drie kinderen met wie ze dat niet zouden willen. Na één en na twee jaar werd deze procedure herhaald. Zo kwam aan het licht dat zich in die tussenliggende tijd een treurige vicieuze cirkel kan ontwikkelen. Zevenjarige kinderen met wie anderen liever niet wilden spelen – buitengesloten kinderen dus – hadden toen ze acht waren naar verhouding minder ‘blunder-inzicht’. Opvallend was dat er geen verband was tussen populaire zevenjarigen en een goed blunder-inzicht op hun achtste. Door dit eenzijdige verband lijkt het er dus op dat juist doordat ze buitengesloten worden, kinderen weinig gelegenheid krijgen om door sociale ervaring meer begrip te krijgen voor wat je wel en niet kunt zeggen. Ze leren de sociale codes niet. Dit gevolg van weinig sociaal inzicht zette zich door en bereikte een nog sterkere en ongekeerde samenhang met negen jaar. Kinderen die dan nog weinig begrip hadden werden toen ze tien waren vaker buitengesloten. Dit effect herhaalde zich bij kinderen toen ze tien waren en een jaar later. Tegen die tijd had zich bij de meeste kinderen juist wel een zeker sociaal inzicht gevestigd. Maar bij een kleine groep had zich dus al met een jaar of zes, zeven een negatieve spiraal in gang gezet.
Misschien zijn dat kinderen bij wie thuis weinig appèl wordt gedaan op zelfinzicht: ‘Hoe zou jij het vinden als een kindje dat bij jou deed, tegen jou zei’. Reden te meer om juist dan op school in te grijpen als kinderen dreigen te worden buitengesloten, waardoor ze de broodnodige sociale ervaring zouden gaan missen om alsnog te leren wat je wel en niet kunt maken.
(Bron: Robin Banerjee, Dawn Warling & Marcella Caputi: Peer Relations and the Understanding of Faux Pas: Longitudinal Evidence for Bidirectional Associations. Child Development, 82, 6, 2011)
(Deel II Hoofdstuk Klasgenoten Bedoelen)





Laatste reacties